Overledenen in kamp De Wijk te Malang
Het kamp:
Het bersiapkamp “De Wijk” in Malang, ook bekend als de Bergenbuurt of het Goentoerkamp, lag in het noordwesten van de stad in een relatief nieuwe villawijk. Deze wijk bestond uit villa’s, kleinere huizen en enkele bungalows. Het kamp omvatte het noordelijke deel van het Japanse burgerkamp en werd omgeven door gedek en prikkeldraad, wat het een afgesloten en gecontroleerde omgeving maakte. De grenzen van het kamp lagen aanvankelijk langs de Boeringweg in het zuiden, de Idjenboulevard in het westen en de Moeriaweg en Adjasmoroweg in het oosten. Na grootschalige evacuaties verschoof de zuidgrens naar de Goentoerweg. De hoofdpoort bevond zich aan de Idjenboulevard, bij de katholieke kerk.
Het kamp vervulde een dubbele functie: naast interneringskamp was het ook een belangrijk verzamel- en doorvoerkamp voor Oost-Java tijdens evacuaties. Hierdoor was er een constante stroom van mensen die het kamp binnenkwamen en verlieten, wat ervoor zorgde dat het aantal geïnterneerden voortdurend veranderde. Oorspronkelijk bestond het kamp uit vier secties (I tot en met IV) met in totaal 354 huizen. In september 1946 werd dit aantal teruggebracht tot 157 huizen.
De leiding van het kamp wisselde regelmatig. Onder anderen mevrouw De Kroon, R.M. Stoute (vanaf 14 september 1946) en Schuitema (tot mei 1947) waren verantwoordelijk voor de organisatie. De kampcommandant was niet constant dezelfde persoon, maar werd onder meer toegeschreven aan iemand met de naam Soetowo. De bewaking van het kamp lag in handen van de politie. Binnen het kamp waren de vier secties elk onder leiding van een sectiehoofd: sectie I stond onder leiding van mevrouw Etchell, sectie II van mevrouw A. Buning, sectie III van mevrouw C. Scheffman en sectie IV van mevrouw E.Ch. Burgemeester.
De leefomstandigheden in het kamp waren zwaar. Hoewel er voedsel werd verstrekt, zoals rijst en olie, was dit vaak onvoldoende. Er ontstond daarom een levendige smokkelhandel bij het gedek, waarbij zelfs voedsel werd binnengesmokkeld in lege lijkkisten. De huisvesting was extreem overvol; in sommige huizen verbleven wel 70 tot 80 mensen, en niet overal was elektriciteit aanwezig. Water was schaars, wat het dagelijks leven extra bemoeilijkte.
Ondanks deze omstandigheden was er enige medische zorg beschikbaar. In het kamp werkten vijf artsen, verdeeld over de verschillende sectoren, ondersteund door vele verpleegsters. Contact met familieleden buiten het kamp was echter zeer beperkt. Er was geen bezoekregeling met mannenkampen, al konden er wel voedselpakketten worden uitgewisseld.
Overledenen: