Aard- en zeebevingen
De Molukken in puin
(verhaal van 02-09-2026)
De Javasche Courant van 26 januari 1853 berichtte over zware aard- en zeebevingen in december op de Molukse eilandengroep. Door de afstand duurde het tot een maand voordat het nieuws Batavia bereikte.
“Wat aan den wal door de aarbeving was gespaard, werd thans door den hoogen vloed vernield en aan stukken geslagen.” Het was de situatie op verschillende eilanden, waaronder Ceram en Saparoea. Op Lonthoir was bijna alles door de stortvloeden verloren, vrouwen en kinderen moesten voor zichzelf zorgen. “De doodsangst was op ieders gelaat te lezen – en geene pen kan dit verschrikkelijke natuurverschijnsel naar waarheid beschrijven.” Het schip De Haai mat een verschil van bijna acht meter tussen het hoogste en laagste punt.
In de eerste 24 uur zijn nog vijftien naschokken gevoeld. Op Banda was de schade niet in geld uit te drukken, verwacht werd dat de inwoners deze misère niet te boven zouden komen. “Een groot gedeelte der inwoners is geheel of gedeeltelijk geruïneerd, en velen zijn zonder woning.” Later werd duidelijk dat op Neira ieder huis beschadigd was, de stank van al het puin, rommel en de schade die was aangericht aan het strand bleef hangen.
Ook verder weg, op het noordelijke Batjan, stonden gebouwen vier dagen lang te trillen. Nog noordelijker, op Ternate, werd de beving ook gevoeld.
Op Amboina, het bekendste Molukse eiland, waren lichte schokken gevoeld, gevolgd door een aardbeving van vijf minuten een week later. Het zeewater steeg, maar het kwam niet tot een overstroming. Op het strand was slechts materiële schade: “eenige kleine Inlandsche vaartuigen die te digt bij de droogte lagen, zijn op het strand geslagen, doch anderen welke bemand waren, zijn terstond tot in het midden der baai gevoerd en aldaar blijven liggen dobberen.” Op Haroeko waren het beroemde Fort Zeelandia en de stenen kerk beschadigd geraakt.
De laatste meldingen kwamen uit de nacht van 23 op 24 december. Opnieuw volgden twee aardbevingen elkaar op, ditmaal zonder schade. De schrik zat er goed in. “Niemand vertrouwt zich bij nacht in de nog staande gebleven steenen huizen [...] ieder heeft zich zoo veel mogelijk eene veilige ligplaats in bamboezen loodsen en onder atap verschaft.”