Van Heutsz-monument te Batavia
Waar moet het toch staan?
(verhaal van 15-04-2026)
Van Heutsz-monument op het Van Heutszplein te Batavia, KITLV 45053.
Zondag 18 oktober 1925 kwam in het K.P.M.-gebouw in Batavia het hoofdcomité voor het Van-Heutsz-monument samen voor een vergadering over de plaatsing. Dit bleek makkelijker gezegd dan gedaan.
De heer L.J.A. Trip, tijdelijk voorzitter van het comité, vertelde dat er ruim honderdduizend gulden voor de bouw was opgehaald, waarvan f 46.000 was geschonken door de stad Batavia. De intussen overleden heer Veth was gevraagd voor de vervaardiging. Later werd dit overgedragen aan de heer Teilers.
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië van 20 oktober 1925 schreef dat, na te hebben gekeken naar de verwachte wijzigingen in het stadsplan van Batavia, plaatsen werden onderzocht. De heer Berlage, die mede hiervoor verantwoordelijk was, was om advies gevraagd. Hij meende dat het monument zou kunnen komen te staan tegenover het nieuw te bouwen stadhuis op het Koningsplein. Een waardige locatie voor de herinnering aan de voormalig gouverneur-generaal (GG) van Indië. Toch vond het geen doorgang. Het nieuwe stadhuis kon nog weleens tien jaar op zich laten wachten, waardoor het beeld te weinig bekijks zou krijgen.
Gedacht werd aan het terrein voor het paleis van de GG met als reden: “als symbool der plaats van de centrale macht”. De beperkte ruimte zou het noodzakelijk maken om een kleiner beeld te vervaardigen. Het comité sprak over het Waterlooplein, waar dan nog wel het Michiels-monument naar elders overgebracht diende te worden. De heer Wiessing dacht aan het Burgemeester Bisschopplein, aan de zuidzijde van de Van Heutszboulevard. Echter, de wijk zou nog niet genoeg bebouwd zijn en het verkeer dat in de toekomst het plein zou passeren, was te weinig. Hierdoor zou de plaatsing ongerechtvaardigd zijn.
Als laatste optie gaf men een driehoekplantsoen bij de entree van Nieuw-Gondangdia. Een plek werd niet aangewezen, een ander besluit wel genomen. Het comité wilde nogmaals advies vragen aan Berlage. Hij wist het beter dan ieder ander. “Zoo niet, dan zal de Gemeenteraad zich hierover nader uitspreken, en kan met het werk een aanvang worden gemaakt”.
Uiteindelijk viel het besluit en verscheen het op het Van Heutszplein. Daar vond in 1932 de officiële onthulling plaats.