Bloemlegging 15 augustus 2026
Gisteren lag er een envelop in de brievenbus, waarvan ik wist dat deze zou komen. Er zat een foto in van bloemen op het graf van korporaal Kees Vink op Kembang Kuning in Surabaja.
Mijn onderzoek naar de Rotterdamse Kees speelt zich voor het grootste deel af aan tafel. Ik blader door zijn brieven, zoek namen op, probeer plaatsen te reconstrueren en leg gebeurtenissen naast elkaar. Soms zit ik urenlang naar een scan te kijken om één klein detail te begrijpen. Hij bestaat voor mij daardoor voor een groot deel alleen op papier.
En dan krijg ik een foto van de bloemlegging op zijn graf. Bloemen die daar daadwerkelijk voor hem zijn neergelegd. Niet op een archiefpagina, niet in een digitaal bestand, maar op de plek waar hij sinds 1949 begraven ligt.
Terwijl ik de foto in mijn handen hield, moest ik denken aan de afstand tussen hier en daar. Kees vertrok vanuit Nederland naar Nederlands-Indië en zou nooit meer terugkeren. Bijna tachtig jaar later zit ik hier in Nederland aan zijn levensverhaal te werken, terwijl iemand namens mij bloemen bij zijn graf laat leggen.
Dat is misschien wel het vreemde aan historisch onderzoek. Je begint met een naam, een geboortedatum en een sterfdatum. Vervolgens verzamel je documenten. Je leest brieven. Je leert zijn handschrift kennen. Je raakt vertrouwd met de namen van mensen om hem heen en met de plaatsen waar hij is geweest. En zonder dat je het precies merkt, verandert een naam in en persoon.
De foto staat inmiddels bij mij in de kast. Tussen de aantekeningen, documenten en brieven die ik voor mijn onderzoek gebruik. Het is eigenlijk maar een kleine foto. Maar voor mij is het een tastbare herinnering aan de persoon achter al die documenten. Kees ligt ver weg op Kembang Kuning. Toch voelt hij door alles wat ik over hem heb gevonden steeds een beetje dichterbij.