Het leven in Menganti

Soerabaja was de plaats waar Kees Vink en de andere mannen van II-10 R.I. werden opgevangen na hun aankomst in de Oost. Tijd om te kunnen omgaan met de cultuurshock was er maar kort, want de kolonie moest immers teruggewonnen worden.

 

Verschillende overplaatsingen volgden door de gehele oosthoek van Java. Eén van deze plaatsen was Menganti, een kleine dessa ten westen van Soerabaja. Klein mocht het dorp eigenlijk niet genoemd worden. Kijkend naar het inwonersaantal van drieduizend personen, was het een aanzienlijke dessa.

Deze grote hoeveelheid inwoners had een nadeel. Aangezien Menganti bekend stond als een kampong, was de hygiëne er niet al te best. Een persoon met een besmettelijke ziekte zou binnen de kortste keren een uitbraak kunnen veroorzaken. In 1914 gebeurde dit dan ook. De pest heerste in het dorp. Een groeiend aantal mensen werd ziek, maar gelukkig weinig ernstig. Dertien jaar later, in 1927, gingen de pokken rond, maar eveneens ook nu zonder al te veel ernstig zieken.

 

De dessa kende naast deze perikelen, ook goede tijden. De inwoners hadden hun eigen ambachten. Zo maakten zij strohoeden en slendangs met plangiwerk, een textielversieringstechniek waarbij delen van de stof worden afgebonden voordat het in een verfbad wordt ondergedompeld, zodat op die manier de kleur niet overal egaal wordt.

Om deze werkzaamheden nog verder te stimuleren werd er in 1904 gesproken over het oprichten van een industrieschool in of rond Menganti. De kranten vertellen echter niet of dit plan ooit is doorgezet.

 

Op het moment dat Kees en de andere mannen aankwamen in de kampong was er vermoedelijk niets meer over van de eens zo mooie ambacht. Ook over de drieduizend aanwezigen wordt niet geschreven, wat doet vermoeden dat veel mensen de kampong hadden verlaten, al dan niet onder dwang.