II-10 en de andere bataljons
Vertrek van de Waterman uit Tandjong Priok, Nationaal Archief.
II-10 R.I. was, tegen de tijd dat het definitief naar Nederland zou repatriëren, één van de langst in Indië verblijvende bataljons. Meermaals was de thuisvaart uitgesteld, maar nu was het moment daar. In het boek “Tropenjaren – Ploppers en Patrouilles” over het tweede eskadron Huzaren van Boreel, las ik per toeval over hen:
Over enkele dagen zal II-10 R.I. een zeer oud O.V.W. onderdeel dat in onze streek werkte, repatriëren. Ook al denken wij nog maar niet aan demobilisatie, toch is het prettig dat deze weer begint. Bovengenoemd onderdeel zit al 3 jaar in Indië en heeft voor de actie al 2x op punt gestaan om te vertrekken. Zal men in Holland beseffen wat het voor deze kerels betekent heeft om in plaats van thuis te varen, weer het veld in de moeten vele lange maanden?
II-10 wilde niets liever dan naar huis gaan. De mannen hadden in hun jonge levens te veel gezien en gehoord. De aftocht was hen tweemaal eerder beloofd, maar telkens tot nader order uitgesteld, waarbij werd zelfs de afscheidsparade werd gelopen en de persoonlijke eigendommen al ingepakt stonden in houten kisten op Tandjong Perak, de haven van Soerabaja.
Het citaat was afkomstig van Huzaar de Ruijter. Hij schreef dat de kans groot was dat II-10 R.I. nu echt gerepatrieerd ging worden. Ze waren verplaatst naar Pasoeroean, wat volgens de militairen een positieve ontwikkeling was. ‘Dichter bij de boot” was de mening van menigeen. Tot twee keer was er sprake van terugkeren naar Nederland en tot twee keer bleek dat de infanteristen op het allerlaatste moment niet gemist konden worden.
Voor de manschappen was het pas zeker dat zij naar huis zouden gaan op het moment dat zij per Waterman van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd op 19 juni 1949 in de haven van Rotterdam debarkeerden, afmarcheerden en in bussen naar huis werden gebracht. Ruim drie jaar ellende was voorbij. Voor velen was het moment gekomen om voorgoed te zwijgen over deze periode.